
Hogescholen als motor van regionale innovatie
Nederlandse hogescholen zijn in tien jaar tijd uitgegroeid tot een veel grotere speler in de kenniseconomie dan vaak wordt gedacht. Een nieuwe netwerkanalyse van Vereniging Hogescholen laat zien dat het aantal onderzoeksprojecten waarbij hogescholen betrokken zijn sinds 2015 bijna is vertienvoudigd. Ook het aantal samenwerkingspartners groeide explosief: van circa 1.350 organisaties in 2015 naar ruim 9.650 in 2024.
De kern van die groei zit niet alleen in onderwijs of onderzoek, maar vooral in de verbinding met bedrijven. In 2024 bestond ongeveer 73% van de samenwerkingspartners van hogescholen uit bedrijven, terwijl universiteiten sterker internationaal en academisch georiënteerd blijven. Daarmee positioneren hogescholen zich steeds nadrukkelijker als praktijkgerichte innovatiepartners van het mkb.
Noord-Nederland als natuurlijk ecosysteem
Juist voor Noord-Nederland zijn deze inzichten interessant. De analyse laat zien dat regio Noord een relatief compacte maar sterk verbonden netwerkstructuur kent, met enkele centrale spelers en een brede periferie van bedrijven en maatschappelijke organisaties.
Binnen dat noordelijke netwerk spelen met name de Hanzehogeschool Groningen en NHL Stenden een zichtbare rol. Hanze behoort zelfs tot de meest centrale hogescholen van Nederland in het totale kennisnetwerk. Dat is relevant voor de noordelijke economie, omdat juist hogescholen vaak functioneren als schakel tussen regionale bedrijven, overheden en innovatieprogramma’s.
De analyse bevestigt daarmee iets wat in Noord-Nederland al langer zichtbaar is: veel innovatie ontstaat niet uitsluitend vanuit grote nationale kennisclusters, maar juist vanuit regionale samenwerking rond thema’s als energie, zorg, watertechnologie, agrifood en circulaire economie. Hogescholen brengen daarin studenten, lectoraten, ondernemers en publieke partijen samen in concrete projecten.
Ook opvallend is dat hogescholen sterk vertegenwoordigd zijn in programma’s als SIA, EFRO, Interreg en regionale ontwikkelmaatschappijen. Voor Noord-Nederland is dat belangrijk, omdat veel regionale innovatie juist via deze publiek-private structuren wordt georganiseerd.
Groei brengt ook nieuwe vragen
Tegelijkertijd laat het rapport zien dat de groei van praktijkgericht onderzoek sneller gaat dan de structurele financiering ervan. Het netwerk van hogescholen groeide met een factor vijf tot zeven, terwijl de middelen voor praktijkgericht onderzoek veel minder hard stegen.
Daarnaast blijft de internationale positie van hogescholen relatief beperkt. Vooral in Europese Horizon-projecten zijn universiteiten veel dominanter aanwezig. Dat roept ook voor Noord-Nederland een strategische vraag op: hoe kunnen regionale kennisinstellingen sterker aansluiten op internationale innovatie- en valorisatienetwerken?
De analyse maakt in ieder geval duidelijk dat hogescholen allang niet meer alleen opleidingsinstituten zijn. Ze zijn uitgegroeid tot een belangrijk onderdeel van de regionale innovatie-infrastructuur, en daarmee ook van het toekomstig verdienvermogen van Noord-Nederland.
