
TNO waarschuwt voor discontinuïteit innovatieprogramma's
Nederland dreigt na afloop van het Nationaal Groeifonds een belangrijk instrument voor de financiering van grootschalige innovatie te verliezen. Hoewel het kabinet nog 375 miljoen euro beschikbaar stelt voor een nieuwe subsidieronde, ontbreekt een structurele opvolger. Dat blijkt uit het op 1 oktober gepubliceerde TNO-paper Bouwen aan innovatiekracht. Volgens TNO kan het wegvallen van langjarige financiering de samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen verzwakken en de ontwikkeling van nieuwe technologie vertragen. Ook voor Noord-Nederland, waar regionale innovatieclusters een belangrijke bijdrage leveren aan de economische ontwikkeling, is dit een aandachtspunt.
Nederlandse innovatie blijft achter
Nederland heeft internationaal een sterke wetenschappelijke positie, maar weet deze kennis onvoldoende om te zetten in nieuwe producten en economische bedrijvigheid. Deze zogenoemde innovatieparadox is volgens TNO een belangrijke belemmering voor het toekomstige verdienvermogen. Bovendien raakt de nationale doelstelling om in 2030 drie procent van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) te besteden steeds verder uit zicht.
TNO onderzocht drie Nederlandse innovatieprogramma's en drie buitenlandse voorbeelden. Daaruit blijkt dat langdurige financiering en intensieve publiek-private samenwerking belangrijke voorwaarden zijn voor succesvolle innovatie. Het onderzoeksinstituut adviseert daarom een nieuw financieringsinstrument met een looptijd van minimaal tien tot vijftien jaar, waarbij bedrijven bij voorkeur minstens de helft van de investeringen voor hun rekening nemen.
Het Nederlandse programma NXTGEN Hightech laat zien hoe deze samenwerking vorm kan krijgen. Binnen dit programma werken 330 partijen, waaronder 300 bedrijven, samen aan nieuwe productietechnologieën. De totale investering bedraagt 970 miljoen euro, waarvan de helft privaat wordt gefinancierd. Naast onderzoek wordt geïnvesteerd in testfaciliteiten en het ontwikkelen van nieuwe industriële toepassingen.
Continuïteit belangrijk voor Noord-Nederland
Vooral kleinere ondernemingen beschikken niet altijd over voldoende financiële middelen of gespecialiseerde faciliteiten om nieuwe technologie zelfstandig te ontwikkelen en op de markt te brengen. Langjarige samenwerking kan deze belemmeringen verkleinen.TNO wijst daarbij op het belang van financiering die verschillende ontwikkelingsfasen ondersteunt. In Noorwegen brengt het programma PILOT-E meerdere publieke financieringsinstanties samen, waardoor bedrijven van onderzoek tot marktintroductie ondersteuning kunnen ontvangen. Deze aanpak heeft onder meer bijgedragen aan de marktintroductie van elektrische veerboten en waterstofschepen.
Dit is een interessant voorbeeld. Organisaties als de NOM en het SNN ondersteunen al innovatieve ondernemingen en samenwerkingsprojecten. Een betere aansluiting tussen bestaande financieringsinstrumenten kan helpen voorkomen dat veelbelovende innovaties na de onderzoeksfase vastlopen.
Het verdwijnen van het Nationaal Groeifonds betekent niet dat alle innovatieondersteuning stopt. Wel ontbreekt volgens TNO straks een structureel instrument voor grootschalige, langjarige publiek-private samenwerking. Voor de noordelijke economie is vooral van belang dat opgebouwde kennisnetwerken en innovatieclusters zich kunnen blijven ontwikkelen en nieuwe economische activiteiten kunnen voortbrengen.
